‘Veel bijensoorten herkennen we amper. Ze zien eruit als een zweefvliegje, zijn zo klein dat we ze amper zien, zijn heel harig of hebben een blauw-groen-rode tinten. Wie zich verdiept in wilde bijen, opent een heel nieuwe wereld. Deze soorten leven anders dan de bekende honingbij. Ze leven vaak solitair, leiden een leven alleen. Ze leven meestal in de grond of in holle plantenstengels. De bijen zijn in hun eentje onderweg. Ze drinken nectar als voedsel en verzamelen stuifmeel.

Wie denkt dat hij meewerkt aan het behoud van de bijen door het zetten van een bijenkast, helpt maar 1 soort, de honingbij en zorgt alleen voor een dak boven hun hoofd. Wie biodiversiteit serieus vooruit wil helpen, doet er goed aan te beginnen bij het begin: het zorgen voor voldoende voedsel, nectar.

Natuurlijke voedselpiramide

Daarom is het goed te kijken naar de natuurlijke voedselpiramide in een gezond ecosysteem. Het begint met een gezonde bodem, de basis voor biodiversiteit. Wist je dat in een hand vol aarde meer leven kan zitten dan mensen op de hele aardbol? Gezonde, biodiverse bodem vormt de basis voor gezonde beplanting. Planten zijn het belangrijkste voedsel voor talrijke dieren, inclusief bijen. Nectar trekt vooral insecten aan, de derde laag in de voedselpiramide.

Wil je verschillende soorten bijen aantrekken, dan heb je diverse soorten planten nodig. Er zijn soorten die kieskeurig zijn als het op hun voedsel aankomt. Neem de klokjesbij, die alleen maar nectar haalt bij bloemen uit de klokjesfamilie. Zo’n plant heet een waardplant, wat betekent dat insect en plant een hechte relatie hebben ontwikkeld. Op zijn waardplant legt bijvoorbeeld een vlinder zijn eieren, zodat de larven direct kunnen beginnen met het eten van de plant zodra ze uitkomen.

Geen huis zonder voedsel

Wie een instectenkast wil zetten, doet er dus goed aan om zich heen te kijken. Aan alleen een huis heeft een bij niet zo veel. Zonder voedsel vertrekken ze of gaan ze dood. Het is dus belangrijk om te kijken welke vegetatie je nodig om hebt voor de bij die je aan wilt trekken. Bovendien zoeken veel wilde bijen hun voedsel in een cirkel van enkele honderden meters vanaf hun nestje, dus komt het er ook op aan hoe ver de planten van de insectenhotel staan.

Eerst uitzoomen, dan aanplanten

Onze aanpak bij het inrichten van een biodivers project, tuin of terrein is doorgaans eerst uitzoomen. Wat is er al in de directe omgeving? In de derde en vierde laag van de voedselpiramide zitten de vogels en vleermuizen, en roofvogels. Als zij aanwezig zijn, geeft dat een indicatie over de stand van de biodiversiteit. Vogels en vleermuizen zijn alleen aanwezig als er ook voor hen voldoende voedsel uit eerdere lagen uit de pyramide beschikbaar is. De soorten uit de bovenste lagen zijn doelsoorten, soorten die we graag willen aantrekken. Op basis daarvan bouwen wij hun voedselpiramide op, beginnend bij de belangrijkste lagen, de bodem en de beplanting. Wij kiezen hierbij planten die passen bij de omgeving en mogelijk veel voedsel bieden voor de doelsoorten die je wilt ondersteunen of wederom hun voedsel, de insecten. Op deze manier maak je een gezond functionerende leefruimte voor meerdere verschillende soorten, met een verblijfplaats en voedsel. Het effect zie je vaak al snel, insecten zijn er als de kippen bij. Daarna volgen ook snel de vogels en vleermuizen. Op dat moment weet je dat je een goede leefomgeving voor je doelsoort(en) hebt gemaakt. Vaak heb je dan niet eens een insectenhotel meer nodig, maar doet de natuur zelf z’n werk.

En toch plaatsen we soms een insectenhotel

Lena: ‘Waarom we soms toch een insectenhotel neer zetten? Dat doen we naast voor de bijen zelf ook vooral voor de mens. Omdat het zorgt voor bewustwording van de mens. Sommige mensen zien een ongemaaid, kruidenrijke grasstrook als ‘onkruid’ of denken dat er vergeten is te maaien. We plaatsen er vaak een bord bij met uitleg over de waardplanten en hun bijhorende insecten. Het heeft daarmee ook een educatieve werking. De wilde bijen helpen wij een handje met een vrije woning, maar wil je echt helpen: vergeet dan nooit de nectar uit de planten.’

 

Lena Grunicke
Lena Grunicke

Lena Grunicke Natuurtechnisch Adviseur en biodiversiteitsspecialist